Indonesisch klinkt als klapperende tanden met aangepaste snelheid der lippen. ‘Kablangkang’.
Veel verder gaat deze reis niet. Neef is jarig en we gaan naar Bintan. ‘Hoe is Bintan?’, vraag ik neef. “Bintan" is onder een groep expats een word voor 'we huren een huisje op een resort aan het strand’. Niet zomaar een resort. Ik heb alle dagen hooguit 6 (zes) mensen tegelijk op het strand gezien. Het strand, de blauwe zee, witte zand, vaalgroene palmen, komt zo uit de reisgids golven. “Bintan” betekend niks doen.
Neef en ik zitten in een huis met een zwembad. We hebben vier douches (1 buiten~); een fontein; vier wastafels; een keuken; een golfbuggy, vijf restaurants, nog een zwembad en roomservice. Als je over het water van het zwembad kijkt zie je de zee.
Neef probeert te lezen en ik praat graag. Hij kijkt op van zijn krant, ‘O heb je weer wat te zeggen? Vraagt hij. ‘Moet jij niet lezen?’, opper ik. We crossen samen over het terrein in de buggy. Het ding is zo hoog dat het de elandtest nooit halen kan. We scheuren over heuvels en smalle paden langs badgasten op klapstoelen met zonnebrand en cocktails. Alles is vriendelijk tot het bordje ‘Trespassers will be shot’. Niet ‘prohibited’ of ‘risk being shot’, nee “Kablangkang". Onze avontuurlijke inborst verstomt. Neef zet de buggy in zijn achteruit. Welk restaurant eten we vanavond?
Stuur door
Dit is niet OK